NS DE2 186 (uit 1954)
Info over het treinstel:

Na de Tweede Wereldoorlog herstelde de Nederlandse economie snel. Hierdoor kon Nederland, deels met het Amerikaanse Marshallplan, in de wederopbouw veel nieuw spoorwegmaterieel aanschaffen. Doordat de treinen en de infrastructuur heel ernstig waren beschadigd, werd besloten om tijdens het herstel grote stappen te maken in het moderniseren van het spoorwegnet. Grote delen van het spoor werden geëlektrificeerd en het materieelpark werd flink gemoderniseerd met de komst van veel nieuw materieel. Met de enorme modernisering wilde de Nederlandsche Spoorwegen in de jaren '50 stoomlocomotieven en houten rijtuigen buitendienst stellen. Een stoomlocomotief moet uren van tevoren al worden opgestookt voordat de machine kan worden ingezet. Naast kolen en water kost dit ook veel loon voor het personeel; op stoomlocomotieven moet namelijk ook een stoker aanwezig zijn. Houten rijtuigen zijn bij aanrijdingen onveiliger, omdat het hout veel minder sterk is, waardoor de rijtuigen volledig kunnen versplinteren. Tevens wilde NS het, meestal slecht presterende, materieel dat na de oorlog uit legerdumps en elders uit Europa werd gekocht of gehuurd snel vervangen. In de jaren na de oorlog bestelde NS, tot en met 1959, 173 dieselrangeerlocomotieven (de series 200, 450, 500, 600 en 700), 286 diesellocomotieven voor op de hoofdbaan (de series 2200, 2400 en 2600, de 2600'en werden in 1958 al aan de kant gezet), 100 elektrische locomotieven (de series 1100, 1200 en 1300), 311 rijtuigen (de series Plan-D, Plan-E, Plan-K en Plan-N), 48 postrijtuigen (de series Pec, Plan-C, Plan-E en Plan-L), twee fietsrijtuigen (Dec-rijtuigen, de rijtuigen werden na één jaar omgebouwd naar Pec-postrijtuigen), 297 elektrische treinstellen (de series Mat'46, Mat'54 en Mat'57), 81 dieseltreinstellen (de series Plan-X en TEE DE4) en meer dan tien duizend nieuwe goederenwagons. Door al het nieuwe materieel en het sluiten van tramlijnen nam NS in 1955 afscheid van de laatste stoomtram. Op 31 augustus 1955 reed de NS 7742 'Bello' als laatste NS-stoomtram van Bergen aan Zee naar Alkmaar. Een jaar later nam NS op 16 juni 1956 afscheid van de laatste houten rijtuigen. Op 7 januari 1958 reed de NS 3737 als laatste stoomtrein, in dienst van de Nederlandsche Spoorwegen, van Geldermalsen naar het Spoorwegmuseum in Utrecht. Nederland was een van de eerste landen in Europa waar stoomlocomotieven en houten rijtuigen niet meer op het hoofdnet gebruikt werden. Op de grensbaanvakken met Duitsland waren echter tot in de jaren '70 nog Duitse stoomlocomotieven te zien. Bij Nederlandse industrieën rangeerden stoomlocomotieven nog veel langer door. In 1975 werden de LV 13 en LV 14 (de oude NS 8811 en 8826) als laatste stoomlocomotieven in commerciële dienst in Nederland terzijde gesteld na het sluiten van de laatste steenkolenmijnen in Zuid-Limburg een jaar eerder.

Tijdens de wederopbouw na de oorlog was NS op zoek naar een manier om de dure en verouderde stoomlocomotieven op de nevenlijnen te vervangen. Vanwege de lage reizigersaantallen was elektrificeren van de vele enkelspoorige diesellijnen geen optie. NS besloot om nieuwe dieseltreinen te bestellen, zodat de exploitatiekosten flink daalden. Een stoomlocomotief moet uren van tevoren al worden opgestookt voordat de machine kan worden ingezet. Naast kolen en water kost dit ook veel loon voor het personeel. Ook waren voor een stoomloc altijd een machinist en een stoker nodig; op nieuwer materieel is een stoker niet meer nodig en het nieuwe materieel hoeft niet uren van tevoren al te worden klaargemaakt voor de dienst. In opdracht van NS ontwierp fabrikant Allan in Rotterdam nieuwe dieseltreinen. NS bestelde 30 motorwagens (die de typeaanduiding DE1 kregen) en 46 tweedelige treinstellen (die de typeaanduiding DE2 kregen) van het type Plan-X. De motorwagens kregen de nummers 21 t/m 50 en de tweedelige treinstellen de nummers 61 t/m 106. Allan ontwierp de treinen met een kenmerkende gestroomlijnde neus, die voor het eerst op de DE3-treinstellen uit 1934 werden toegepast. De Plan-X was de laatste serie die de gestroomlijnde neus kreeg. De Mat'54-treinstellen waren de eerste treinstellen die na de Plan-X werden geleverd en deze kregen een grote neus ter bescherming van de machinist. De 76 nieuwe dieseltreinen werden tussen 1953 en 1955 door Allan gebouwd. De Plan-X-treinstellen werden niet geschikt gemaakt voor eenmansbediening, waardoor nog wel een conducteur op de trein nodig was. De treinen werden blauw, met rode biezen en een wit dak. De dieseltreinen waren enkel voorzien van goedkope derdeklassezitplaatsen. Al snel kregen de treinstellen de bijnaam Blauwe Engel door hun blauwe kleur en het gevleugelde symbool van fabrikant Allan onder de voorruiten. De treinen waren ook de reddende engel van veel diesellijnen, die NS anders had gesloten vanwege de hoge kosten. De Blauwe Engelen waren op vrijwel alle diesellijnen in Nederland te zien. Enkele treinstellen werden voorzien van Duitse beveiliging, zodat de stellen naar het Duitse Aachen konden rijden.

Tegelijk met de levering van de Blauwe Engelen leverde Allaan op 31 mei 1954 de NS 20, het nieuwe inspectievoertuig voor de directie van NS. De NS 20 verving het oudere directierijtuig, de omBc 102 uit 1937. Hoewel de 20 technisch veel gelijkenissen had met de Blauwe Engelen, zag het treinstel er totaal anders uit. Waar normaal de cabines van de machinist zitten, waren twee vergaderruimtes geplaatst met elk plek voor 14 personen. Aan de voor- en achterkant waren ramen geplaatst waardoor men met een panoramazicht recht op het spoor kon kijken. De cabines voor de machinist werden als 'bulten' bovenop de motorwagen geplaatst. Hierdoor kreeg de NS 20 de bijnaam 'Kameel'. De motorwagen heeft geen koppelingen gekregen, zodat het treinstel mooier afgewerkt is. Tevens hoeft het belangrijke directierijtuig geen rijtuigen en wagons te trekken. Met een koppelboom kan een andere locomotief met de Kameel rangeren. De Kameel werd in dezelfde blauwe kleur geleverd als de andere Blauwe Engelen. Vanaf eind jaren '50 werden alle Blauwe Engelen rood geschilderd, de Kameel behield de blauwe huisstijl. Ondanks hun nieuwe kleur bleven de treinstellen de bijnaam Blauwe Engel houden. De rode kleur was de nieuwe huisstijl van dieseltreinstellen die NS hanteerde.

In 1973 hadden de oude Blauwe Engelen het einde van hun levensduur bereikt. NS moest een keuze maken tussen treinstellen vervangen door nieuwe treinen, de oude treinen grondig moderniseren of een aantal diesellijnen te sluiten. In het noorden van Nederland werden de Blauwe Engelen vervangen door nieuwe dieseltreinen van het type DH1 en DH2, die tussen 1981 en 1983 werden gebouwd. De 19 motorwagens van het type DH1 en de 31 tweedelige treinstellen van het type DH2 waren geschikt voor eenmansbediening, wat de exploitatiekosten nog goedkoper maakte. NS wilde niet meer nieuw dieselmaterieel kopen, omdat het bedrijf in de toekomst mogelijk nog diesellijnen wilde sluiten. Uit angst dat het nieuwe materieel dan zonder werk zou zitten, werd besloten om 26 tweedelige Blauwe Engelen een grondige modernisatie te geven waardoor deze toch langer in dienst konden blijven. Alle motorwagens en de overige tweedelige treinstellen werden afgevoerd, waarvan de laatste in 1985 buiten dienst ging. Tijdens de grondige modernisering werden de rode treinstellen voorzien van de gele huisstijl van NS en kregen ze hetzelfde interieur als de nieuwe SGM-treinstellen. De Blauwe Engelen kregen een nieuw type motoren en generatoren. De gehele cabine werd ook verbouwd, waardoor deze voor de machinist een stuk luxer was. De treinen kregen twee grote koelinstallaties op het dak om oververhitting, waar de treinstellen op hete zomerdagen nog weleens last van hadden, te voorkomen. Daarnaast kregen de treinstellen nog veel meer aanpassingen. Na de revisie kregen de treinstellen de nummers 161 t/m 186. In 1981 werd de NS 186 als laatste treinstel na de revisie afgeleverd.

In de jaren '90 bestelde NS 53 nieuwe tweedelige dieseltreinstellen van het type DM'90 om de oude Blauwe Engelen en de Plan-U-treinstellen te vervangen. De nieuwe Buffels werden tussen 1996 en 1998 geleverd. In 1997 vervingen ze de laatste Blauwe Engelen in de binnenlandse diensten in de Achterhoek, Limburg en Overijssel. Vanwege problemen met de toelating naar het Duitse Aachen reden de NS 178 en 179 als enige Blauwe Engelen nog een jaar langer door tussen Heerlen, Herzogenrath (D) en Aachen (D). In 1998 werden de Buffels toegelaten naar Aachen en dit betekende het einde van de inzet van de Blauwe Engelen bij NS. Op 13 augustus 1998 reden beide stellen hun laatste diensten voor NS.

In 1991 werd in de Europese Unie een nieuwe richtlijn aangenomen waarin onder andere staat dat directe staatsexploitatie van spoorwegen werd verboden en nieuwe vervoerders treindiensten zouden moeten kunnen uitvoeren. In Nederland werd de commissie-Wijffels aangesteld om te kijken hoe dit in Nederland toegepast zou moeten worden. Er werd besloten om niet het hele spoorwegnet, zoals men in Engeland wel deed, te liberaliseren maar slechts de verliesleidende spoorlijnen aan te besteden. De niet-rendabelenlijnen zouden vanuit de provincies worden aanbesteed en het bedrijf dat de goedkoopste dienst kon uitvoeren, won voor een aantal jaar de concessie. In samenspraak met de Nederlandse Spoorwegen kwamen rond 30 nevenlijnen in aanmerking om te worden geprivatiseerd. NS besloot om vanaf 24 mei 1998 de rustige nevenlijn Almelo - Mariënberg te sluiten en te vervangen door een busdienst. Over het sluiten van de spoorlijn werd in de Tweede Kamer heftig vergaderd en op het nippertje werd de sluiting van de lijn voorkomen. In oktober 1997 startte Twente de aanbestedingsprocedure om de treindienst Almelo - Mariënberg als eerste lijn in Nederland aan te besteden. Lovers Rail, die sinds augustus 1996 als eerste concurrent tegen NS concurreerde, en de busbedrijven Midnet en Oostnet deden een bod. In december 1997 werd bekend dat Oostnet het goedkoopste bod had gedaan en daarmee de treindienst had gewonnen. Vanwege het besluit van NS om op 24 mei 1998 de treindienst te staken, had Oostnet erg weinig tijd om zijn eerste treinen te rijden. Doordat Almelo - Mariënberg de eerste spoorlijn was die werd overgenomen van NS, was het voor alle betrokken partijen nieuw en kwamen veel problemen naar voren waar niet eerder over was nagedacht. Uit angst voor verdere imagoschade werkte NS goed samen met Oostnet. Voor de treindienst nam Oostnet drie terzijde gestelde Blauwe Engelen uit de jaren '50 over van NS. De rijvaardige 180 en de 186 en het plukstel 164 werden verkocht. Ook leidde NS de eerste machinisten van Oostnet op. Het lukte Oostnet in recordtempo om alles voor elkaar te krijgen en op 24 mei 1998 reed de eerste trein van een privaat op een van NS overgenomen baanvak. Doordat de machinisten van Oostnet enkel op Almelo - Mariënberg mochten rijden reed NS-personeel de treinstellen naar Hengelo om te tanken en voor onderhoud.

Eind 1999 ging Oostnet grotendeels op in Connexxion. Syntus voerde de treindienst met de 180 en 186 uit. Hiervoor werden de Oostnet-logo's vervangen door die van Syntus. In april 2001 ontstond brand in de motor van de 180, waardoor deze door Syntus terzijde werd gesteld. Er waren al plannen om de oude treinstellen te vervangen en hierdoor werd het niet meer rendabel geacht om de 180 te herstellen. Op 20 mei 2002 werd met de DE1 41 van het Spoorwegmuseum en de Syntus 186 een afscheidsrit gereden van het materieeltype. Dit was tevens de laatste inzet van de 186 bij Syntus. De treinstellen werden vervangen door twee motorwagens van het type DH1 'Wadlopers'. De 186 heeft 48 jaar in de reguliere reizigersdienst gereden en is hiermee het treinstel in Nederland dat het langste dienst heeft gedaan.

De NS 186 werd na de afscheidsrit op 20 mei 2002 door Syntus terzijde gesteld. Een aantal medewerkers van Syntus richtte de Historisch Streekvervoer Achterhoek (HSA) op om de 186 en andere bussen van Syntus te behouden. Syntus, met Frank van Setten als directeur, schonk het treinstel aan HSA. In november 2002 werd de 186 overgebracht van Hengelo naar Winterswijk. Twee jaar later wordt de 186 overgebracht naar Zwolle. Hier werd het treinstel geschilderd in de gele NS-huisstijl waarin het gemoderniseerde treinstel in 1981 werd afgeleverd. Begin 2005 werd de Blauwe Engel vanuit Zwolle weer teruggebracht naar Winterswijk, de vaste standplaats van het treinstel. Het treinstel kreeg logo's van de HSA. Ter ere van Frank van Setten, de Syntus-directeur die de redding van de 186 mogelijk heeft gemaakt, werd in 2008 zijn naam op de zijkant van de 186 gezet. Tussen 2005 en 2014 werd de NS 186 regelmatig ingezet voor historische ritten. De Historisch Streekvervoer Achterhoek (HSA) en de Station Winterswijk GOLS gingen in 2014 beide op Transit Oost. De 186 werd ook overgenomen door Transit Oost. Hetzelfde jaar werd in Winterswijk gestart om de 186 een nodige revisie te geven. Tijdens deze revisie wordt het treinstel geheel uit elkaar gehaald, alle onderdelen worden gereviseerd en daarna weer teruggeplaatst. De 186 krijgt hierbij ook het beveiligingssysteem ATB-NG, waarmee het treinstel zelfstandig over de diesellijnen mag rijden. De chroom-6 verf, die NS vroeger op het treinstel verfde, werd ook verwijderd. Het treinstel zal behouden blijven in de staat zoals deze voor het laatst voor NS door de Achterhoek reed. Op 6 april 2018 werd de nieuwe museumwerkplaats van Transit Oost in Winterswijk geopend. Met de opening van de nieuwe werkplaats kan de NS 186 binnenstaan, wat voor het behoud van het treinstel veel beter is. De werkplaats werd officieel geopend door gedeputeerde Josan Meijers, burgemeester van Winterswijk Joris Bengevoord en Arriva’s adjunct-directeur Frank van Setten. Vanaf 1 januari 2021 werd Frank van Setten voorzitter van Transit Oost, zijn naam staat nog steeds trots op de Blauwe Engel.

Toen de NS 186 bij het Nationaal Register Railerfgoed werd opgegeven kreeg het stel vanwege zijn cultuurhistorische waarde de C-status toegekend. De reden dat de 186 een C-status heeft gekregen was omdat de Zuid-Limburgse Stoomtrein Maatschappij (ZLSM) eerder haar eigen NS 179 had opgegeven en deze kreeg wel de hoogste A-status toegekend. Transit Oost en de ZLSM bereikten een akkoord om een verzoek van statusruil tussen beide treinstellen bij het Nationaal Register Railerfgoed in te dienen. Transit Oost is namelijk sinds 2014 bezig om haar Blauwe Engel te reviseren en weer in rijvaardige staat op het hoofdspoor te rijden. Aangezien de ZLSM voorlopig nog geen plannen met haar 179 heeft, maken ze geen gebruik van de fondsen die ze zouden kunnen aanspreken vanwege de A-status van het treinstel. Met het overzetten van de status kan Transit Oost deze fondsen wel goed gebruiken voor de restauratie van hun Blauwe Engel. Op 10 januari 2022 werd dit verzoek ingediend bij het Nationaal Register Railerfgoed. Het NRR besloot om de status van de 186 te verhogen van een C-status naar de A-status, en de 179 haar A-status te behouden.

Transit Oost hoopt de NS 186 in 2028, tijdens de viering van het 150-jarig bestaan van de spoorlijn Winterswijk - Zutphen, weer rijvaardig te hebben.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Arriva Lint's 25 en 30 zijn de eerste Lint's die vanaf de Maaslijn naar Winterswijk zijn gebracht om te worden omgestickerd. De 7 treinstellen
gaan de 9 Lint's van Keolis vervangen op het traject Zutphen-Oldenzaal. Op de foto staat de Lint 30 naast de Blauwe Engel 186 in de werkplaats
van Transit Oost in Winterswijk. 11 juli 2023. © TreinenInNederland.nl
 
De Blauwe Engel van Transit Oost. 11 juli 2023. © TreinenInNederland.nl
 
Buiten de loods stond de mooie Blauwe Engel de 186. De foto is genomen tijdens de Transit Oost Thema Dagen 2016 “Spoor & Techniek”.
15 oktober 2016. © TreinenInNederland.nl
 

DE HSA 186 te Winterswijk. 16 mei 2015. © TreinenInNederland.nl

 
 
 
 
De 1e Klas.
 
 
 
 
 
De 2e Klas.
 
 
Een zelfgemaakt barretje voor een versnapering tijdens de lange(re) ritten.
 
 
 
 
 
De 186 tijdens "Materieelshow Hengelo 2007". 29 september 2007. © Patrick
 
De DE-II 186 van de HSA tijdens een open dag in Nijmegen t.g.v. het afscheid van de NS op de Maaslijn. © Leen Dortwegt
 
De cabine van de DE-II 186 met uitzicht op de DE-I 41 van het Spoorwegmuseum. © Leen Dortwegt
 
Het interieur van de 186. © Leen Dortwegt
 
De DE-II 186 van de HSA heeft vandaag een uitstapje gemaakt van Winterswijk naar Hoorn. Deze foto is gemaakt toen de DE-II weer op de terug weg was naar Winterwijk. Utrecht Centraal, 12 mei 2007. © Patrick
 
De blauwe engel t.h.v. Utrecht Lunetten. 12 mei 2007. © Rob van der Woude
 
DE-II 186 passeert Vechten op weg naar Utrecht. 28 april 2007. © Rob van der Woude
 
De DE-II 186 is gearriveerd in het Spoorwegmuseum in Utrecht. Hij wordt tussen de DE-III 27 en de DE-I 41 geplaatst.
28 april 2007. © Roland van Riel
 
DE-I 41, DE-II 186 en DE-III 27 bij Utrecht Blauwkapel richting Amersfoort. 28 april 2007. © Rob van der Woude
 
DE-I 41, DE-II 186 en DE-III 27 te 's Hertogenbosch. 28 april 2007. © Roland van Riel